Den Haag, maart 1997
OR 20-ER/IV/97
Een onderzoek door mr. M.J. Joseph, in opdracht van de Emancipatieraad
1 INLEIDING
Bij huwelijk ontstaat, als de partners niets anders afspreken bij huwelijkse voorwaarden, een algehele gemeenschap van goederen. Bij een echtscheiding wordt de eventuele gemeenschap van goederen ontbonden. Alle vermogensbestanddelen worden gescheiden en gedeeld. Totdat de Hoge Raad in 1981 in het Boon/Van Loon-arrest anders bepaalde, werden pensioenrechten bij echtscheiding echter niet in de verdeling van de gemeenschap betrokken. Dit betekende dat degene die het pensioen had opgebouwd, meestal de man, volledig in het bezit bleef van zijn pensioenaanspraken en dat de echtgenoot, meestal de vrouw, die met haar zorgarbeid de man in staat had gesteld dat pensioen op te bouwen, op pensioengebied met lege handen achterbleef. Op 27 november 1981 maakte de Hoge Raad hieraan een einde door te bepalen dat de waarde van pensioenrechten verrekend diende te worden bij echtscheiding. De wijze van verrekenen bracht voor de rechtspraktijk echter zeer veel problemen met zich mee: één van de redenen voor de wetgever om de verdeling van pensioenrechten bij wet te regelen. Op 1 mei 1995 is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS), na een lange tijd van discussie, in werking getreden. Deze wet regelt de verdeling van het ouderdomspensioen bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed.
In opdracht van de Emancipatieraad is een onderzoek verricht naar de eerste praktijkervaringen van vooral advocaten en notarissen met de WVPS. Het onderzoek heeft een verkennend karakter. In drie à vier maanden is getracht enig inzicht te krijgen in de wijze waarop de wet in de praktijk gehanteerd wordt en welke problemen zich (kunnen) voordoen. Vragen die daarbij aan de orde komen, zijn:
Voor de beantwoording van deze vragen is na een inventariserend onderzoek van literatuur, parlementaire geschiedenis en gepubliceerde jurisprudentie, een aantal gesprekken gevoerd met advocaten en (kandidaat-)notarissen. Het onderzoek is in het najaar van 1996 afgerond.
In hoofdstuk twee zal een schets worden gegeven van de ontwikkeling van het pensioenverdelingsvraagstuk sinds het arrest van de Hoge Raad in 1981. Daarbij zal kort worden ingegaan op de uitspraak van de Hoge Raad, de totstandkoming van de wet en de inhoud van de wet. In hoofdstuk drie worden enkele problemen besproken, die in de literatuur worden gesignaleerd. Voorts zal een aantal uitspraken van rechters besproken worden. In hoofdstuk vier zullen de methode en de resultaten van het onderzoek onder advocaten en (kandidaat-)notarissen besproken worden. Tenslotte worden in hoofdstuk vijf conclusies getrokken.
Om de leesbaarheid te bevorderen worden in dit rapport soms in plaats van de neutrale begrippen vereveningsplichtige en vereveningsgerechtigde de woorden man en vrouw gehanteerd. Hierbij wordt uitgegaan van de traditionele en nog steeds veel voorkomende situatie dat de man meer pensioen heeft opgebouwd dan de vrouw. Hierdoor is de man per saldo vereveningsplichtige en de vrouw vereveningsgerechtigde. Uiteraard kan en zal de omgekeerde situatie zich ook voordoen. Daarnaast is het van belang onderscheid te maken tussen de begrippen pensioenverdeling, pensioenverrekening en pensioenverevening. Pensioenverdeling is een algemeen begrip dat niets zegt over de wijze van verdeling. Pensioenverrekening betreft het verrekenen van de contante waarde van het pensioen, zoals geschiedt op grond van de Boon/Van Loon-methode. Pensioenverevening is verdeling van het opgebouwde pensioen volgens de WVPS.