Juridische oplosssingen zullen vaders niet helpen! (januari 2009)


In de Volkskrant van 8 januari jl. pleiten Mariele Mijnlieff en Irene Zwaan van Enova emancipatie-adviesbureau Drenthe voor een sterkere positie van vaders na echtscheiding. Zij baseren zich op een onderzoek onder vaders die ontevreden zijn met de uitkomsten van de scheiding. Met een dergelijke heel specifieke onderzoeksgroep is het misschien geen wonder dat in het artikel wordt gesuggereerd dat moeders zich vaak onredelijk opstellen. Onderzoeken onder representatieve groepen gescheiden ouders geven een heel ander beeld.

E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit, heeft veel onderzoek gedaan naar gezinnen in het algemeen en gescheiden gezinnen in het bijzonder. Verschillen tussen de ervaringen van moeders en vaders zijn daarbij ook uitgebreid onderzocht, onder andere in het onderzoek Gezinnen van de toekomst, en het onderzoek Nieuwe gezinnen, over scheidingen en de vorming van stiefgezinnen.

Uit deze onderzoeken blijkt het volgende.

  • De meeste kinderen wonen na echtscheiding bij de moeder, bijna altijd met instemming van de vader. In 10% van de gevallen heeft de rechter besloten waar kinderen wonen. De meeste ouders nemen de beslissing samen, of kiezen er samen voor de beslissing bij de kinderen de leggen.
  • 92% van de kinderen heeft contact met beide ouders. Waar dat niet zo is, kan dat zijn omdat de uitwonende ouder geen contact wenst, of omdat het kind niet wil. In ons onderzoek was er bij oudere kinderen vaker geen contact dan bij jongere kinderen; bij de groep tot 11 jaar had 4% geen contact, bij de kinderen boven de 18 jaar was dit 12%. Dit staat haaks op het idee dat het vooral de moeders zijn die het contact tegenhouden. Dat kunnen zij immers juist bij jongere kinderen beter realiseren. In een klein aantal gevallen zijn de ouders het niet eens, en wijst de rechtbank het contact af op advies van de Raad voor de Kinderbescherming (3 tot 4% van de kinderen).
  • 20% van de gescheiden moeders geeft aan dat lichamelijk geweld een van de belangrijke redenen was voor het verbreken van de relatie. Let wel: dit antwoord is gegeven in een anonieme enquête van het CBS. De moeders hebben dus niets te ‘winnen’ met hun antwoord. Het is opvallend dat dit percentage veel hoger ligt dan het aantal gevallen waarin er geen omgangsregeling is. Er is dus zelfs na lichamelijk geweld vaak weldegelijk omgang.
Juridische oplossingen?
Dat het meestal een gezamenlijke beslissing is waar de kinderen wonen, en hoe de omgangsregeling verloopt, wil natuurlijk niet zeggen dat vaders hiermee echt gelukkig zijn. Het is begrijpelijk dat veel vaders het erg vinden dat zij hun kinderen na scheiding minder zien. Het is echter niet begrijpelijk dat de adviseurs van Enova de oplossingen hiervoor zoeken in de juridische sfeer, in plaats van in een betere invulling van het feitelijke vaderschap.

Ten eerste vinden zij dat vaders beter af zouden zijn als er in meer gevallen sprake zou zijn geweest van gezamenlijk gezag vóór de scheiding. Dat is nu alleen automatisch het geval bij huwelijk of geregistreerd partnerschap. Als dat wordt uitgebreid, zoals de Enova-adviseurs bepleiten, zal dit de problemen van vaders nauwelijks verminderen. Voor het recht op omgang is het in elk geval niet van belang of er gezamenlijk gezag was of niet. Ook zal de kans op co-ouderschap er in de praktijk niet door worden vergroot. Feitelijk co-ouderschap (de kinderen wonen ongeveer 50/50 bij elk van de ouders) is immers in de praktijk alleen te realiseren als de ouders zich daarvoor allebei willen inzetten, en dat staat los van de juridische situatie. Gezamenlijk gezag voorafgaand aan de scheiding maakt hooguit de kans iets groter om te bereiken dat de kinderen bij de vader komen te wonen in plaats van bij de moeder. Maar ook in al die gevallen waar nu al gezamenlijk gezag is, komen kinderen zelden bij de vader te wonen. (Overigens overdrijven Mijnlieff en Zwaan sterk met de bewering dat ruim 50 procent van de kinderen worden geboren in een relatie die niet juridisch is vastgelegd. In feite is het zo dat 37 procent van de kinderen wordt geboren zonder dat de ouders gehuwd zijn. Vaak zal er wel sprake zijn van geregistreerd partnerschap.)

Een tweede voorstel van Mijnlieff en Zwaan is om vaderschap verplicht bij de geboorte vast te leggen, ook voor kinderen die buiten een juridisch vastgelegde relatie geboren worden. Nu kan dat uiteraard ook al, door middel van de erkenning. Maar ouders kunnen ervoor kiezen om dat niet te doen. In navolging van CDA-kamerlid Marleen de Pater willen Mijnlieff en Zwaan die keus onmogelijk maken. Dat zou echter een forse beperking zijn van de vrijheid van ouders om zelf te bepalen hoe zij hun ouderschap willen vormgeven. Denk aan bewust alleenstaande moeders, of lesbische moeders, die zwanger worden van een donor (via een kliniek, via een advertentie, of iemand uit hun kennissenkring). Mag dat dan niet meer? Denk aan vrouwen die per ongeluk zwanger worden van iemand die geen vader wil worden. Moet die vader dan toch gedwongen de officiële vader worden, en wie is er gebaat met zulk vaderschap? En als de moeder de verwekker van het kind niet als geschikte vader beschouwt, wat gebeurt er dan wanneer zij toch gedwongen wordt haar ouderschap in te vullen samen met hem? Want registratie als vader is niet een vrijblijvende administratieve kwestie, maar iets waaruit gedurende de hele opvoeding rechten en plichten voortvloeien. Lopen we niet het risico dat sommige vrouwen dan maar liever de uitweg van abortus kiezen, wat ze niet zouden hebben gedaan als de vader buiten beeld kon blijven? En hoe gaan we vrouwen eigenlijk dwingen een vader te noemen na de geboorte?

Wat dan?
Dat de vader en/of de moeder na een scheiding minder contact met de kinderen heeft is pijnlijk, maar onvermijdelijk. Bij co-ouderschap wordt die pijn het meest gelijk verdeeld over beide ouders. Toch stemmen verreweg de meeste vaders ermee in dat de kinderen bij de moeder wonen. Dat is niet zo verwonderlijk als we bedenken dat voorafgaand aan de scheiding eigenlijk ook bijna altijd de moeder de meeste tijd aan de kinderen besteedt, zeker als het gaat om kleine kinderen. Vaders werken bijna altijd fulltime, moeders bijna altijd in deeltijd of helemaal niet. Het is voor vaders dan moeilijk voor te stellen hoe zij in de praktijk hun werk zouden kunnen combineren met het iets anders dan weekendvader zijn. Bij oudere kinderen geldt dat uiteraard iets minder, vandaar dat kinderen die bij alleenstaande vaders wonen in overgrote meerderheid boven de 13 jaar zijn.

In ons onderzoek zien we dat zelfs de vaders die wel voor co-ouderschap hebben gekozen het niet makkelijk vinden. Driekwart van deze vaders geeft aan dat zij na de scheiding hun werk moeilijker met het ouderschap kunnen combineren. De moeders vinden dat meestal juist niet.

De beste manier om te zorgen dat de ongelijkheid tussen vaders en moeders na echtscheiding kleiner wordt, is dus niet met juridische middelen – maar door een gelijkere verdeling van de zorg voor kinderen en werk zolang de ouders nog samen wonen.

Mr. Sabine Kraus (beleidsmedewerker E-Quality)
 
Januari 2009

Bookmark and Share